Wedstrijdtijd voorspellen — de formule gaat ervan uit dat je voor beide afstanden traint
De formule zet één prestatie om naar een andere afstand, en rust op een aanname die zelden wordt genoemd: dat je voor beide afstanden even goed getraind bent. Wie op vijf kilometer snel is maar nooit lang loopt, krijgt een marathontijd die ruim te optimistisch is.
Hoe verder de afstanden uit elkaar liggen, hoe onbetrouwbaarder de voorspelling. Van 10 naar 21 kilometer werkt redelijk; van 5 naar 42 is een sprong waar de formule niet voor bedoeld is. Deze pagina zegt erbij hoe groot die sprong bij jou is.
Je bekende prestatie
Een recente wedstrijd of tijdrit werkt het beste.
Uitkomst
—
| Afstand | Voorspelde tijd | Tempo |
|---|
El cálculo se ha hecho en tu navegador. Ninguno de estos waarden se ha enviado ni guardado.
De formule en haar aanname
Nieuwe tijd = bekende tijd × (nieuwe afstand ÷ bekende afstand)1,06
De exponent 1,06 zegt dat je tempo bij een dubbele afstand niet gelijk blijft maar iets terugloopt. Dat klopt: niemand loopt een marathon in het tempo van zijn tien kilometer.
Wat er zelden bij staat is waar dat getal vandaan komt. Het is afgeleid uit prestaties van hardlopers die voor beide afstanden getraind waren. De formule voorspelt dus niet «wat jij nu zou lopen», maar «wat iemand met jouw snelheid zou lopen als hij ook voor die afstand had getraind».
Voor iemand die drie keer per week vijf kilometer loopt en nooit verder komt, is dat een wezenlijk verschil. Zijn marathontijd valt niet tegen omdat de formule fout is, maar omdat de aanname niet op hem slaat.
Daarom is de exponent hier instelbaar. Met een hogere waarde loopt de voorspelling sneller op, wat beter past bij wie de lange duurlopen niet doet.
Nog te controleren bij de volgende herziening: gedocumenteerde exponenten voor recreatieve lopers, die hoger liggen dan de klassieke 1,06.
Waarom de marathon apart staat
Tot ongeveer een halve marathon voorspelt de formule redelijk. Daarboven komt er iets bij dat er niet in zit.
Op de kortere afstanden bepaalt vooral je uithoudingsvermogen de tijd. Op de marathon komt daar de brandstofvoorraad bij: het lichaam heeft beperkt koolhydraten opgeslagen, en die raken bij iedereen ergens tussen 25 en 35 kilometer op.
Wat er daarna gebeurt hangt af van training en van eten onderweg, niet van je snelheid op tien kilometer. Twee lopers met dezelfde 10-kilometertijd kunnen daardoor een marathontijd hebben die een half uur uiteenloopt.
Dat verklaart ook de bekende ervaring dat een marathon «pas na 30 kilometer begint». Tot dat punt volgt de tijd nog ongeveer de voorspelling; daarna niet meer.
De formule kent dat mechanisme niet en zal er dus altijd te optimistisch over zijn.
Wat een voorspelling nog meer mist
- Het parcours. Wind, hoogteverschil, bochten en ondergrond staan niet in de formule. In Nederland is wind de grootste post.
- Het weer. Boven ongeveer vijftien graden loopt een marathontijd merkbaar op.
- De omstandigheden van je bekende tijd. Was die met rugwind of op een snel parcours, dan erft de voorspelling die gunstige omstandigheid.
- Hoe lang geleden. Een tijd van twee jaar terug beschrijft een andere loper.
- De dag zelf. Slaap, spanning en maag doen mee, en niet altijd de goede kant op.
Het bruikbaarste gebruik van deze formule is niet «wat ga ik lopen» maar «welk tempo is realistisch om mee te beginnen». Voor dat doel is een voorzichtige schatting nuttiger dan een optimistische.
Wat deze rekentool niet doet
- Geen belofte. Ze zet één prestatie om onder een aanname over je training.
- Geen rekening met parcours of weer, die beide fors meewegen.
- Geen trainingsschema om die tijd te halen.
- Geen betrouwbare marathonvoorspelling vanuit korte afstanden.
Veelgestelde vragen
Waarop rust de formule van Riegel?
Op prestaties van hardlopers die voor beide afstanden getraind waren. Ze voorspelt dus niet wat jij nu zou lopen, maar wat iemand met jouw snelheid zou lopen als hij ook voor die afstand had getraind. Voor wie nooit lang loopt is dat een wezenlijk verschil.
Waarom valt mijn marathontijd tegen?
Meestal niet omdat de formule fout is, maar omdat de aanname niet op je slaat. Wie nauwelijks lange duurlopen doet, krijgt een voorspelling die uitgaat van training die hij niet gedaan heeft. Daarom is de exponent op deze pagina instelbaar.
Wat maakt de marathon anders dan kortere afstanden?
De brandstofvoorraad. Tot een halve marathon bepaalt vooral je uithoudingsvermogen de tijd; daarboven raken de opgeslagen koolhydraten op, bij iedereen ergens tussen 25 en 35 kilometer. Wat er daarna gebeurt hangt af van training en eten onderweg, niet van je snelheid op tien kilometer.
Tussen welke afstanden werkt het het beste?
Tussen afstanden die dicht bij elkaar liggen, bijvoorbeeld van 10 naar 21 kilometer. Daar klopt de aanname over gelijke training doorgaans wel. Van 5 naar 42 kilometer is een sprong waar de formule niet voor bedoeld is.
Waarvoor kan ik de uitkomst het beste gebruiken?
Niet als antwoord op «wat ga ik lopen» maar op «welk tempo is realistisch om mee te beginnen». Voor dat doel is een voorzichtige schatting nuttiger dan een optimistische — te hard vertrekken kost later meer dan het aan het begin oplevert.
Hiernaast lezen
Het voorspelde tempo per kilometer reken je door op de tempospagina.
Bron en methode
- Formule
- Bekende tijd maal de verhouding van de afstanden tot de macht van de exponent
- Standaardexponent
- 1,06, afgeleid van lopers die voor beide afstanden getraind waren
- Hogere exponenten
- 1,10 tot 1,15 passen beter bij wie de lange duurlopen niet doet
- Grens van de methode
- Betrouwbaar tussen naburige afstanden; onbetrouwbaar richting de marathon
- Marathon
- De koolhydraatvoorraad raakt tussen 25 en 35 kilometer op; dat zit niet in de formule
- Niet meegenomen
- Parcours, wind, weer, tijd sinds de prestatie en de dagvorm
- Gepubliceerd
- 1 september 2026
- Última revisión
- 1 september 2026
- Próxima revisión
- februari 2027
Deze rekentool stelt geen diagnose en vervangt niet het oordeel van een zorgverlener. Lees de medische disclaimer.